Ik zit in een vallei, tussen de bergen. Een rivier ruist. Wolken glijden traag over de toppen. Alles om me heen ademt rust. Maar ik voel het niet.
Ik ben afgeleid.
We waren te laat met boeken. Alles moet tegenwoordig maanden van tevoren. Spontaan aankomen, de eigenaar een hand geven en vragen: “Heb je nog een mooi plekje?” en dat hij dan wijst naar een grasveld en zegt: “Zoek maar wat uit,” dat bestaat niet meer.
We staan hutjemutje, tussen twee paaltjes in. Inclusief auto. Tussen glimmende campers, elektrische fietsen, koffiemachines en ingebouwde airfryers. Het badgebouw heeft een sauna. Stortdouches in aparte cabines.
Overdag zie ik ouders onrustig over de camping struinen. Op zoek naar het perfecte restaurant, het beste uitje, het mooiste Instagrammoment. En naar wat het weer komend uur gaat doen. Ze lopen achter hun kinderen aan, op weg naar de zorgvuldig aangelegde vermaakplekken van de camping. In de hoop dat die even ‘vermaakt’ zijn. Zodat zij ongestoord verder kunnen scrollen.
’s Avonds zitten diezelfde ouders zwijgend voor hun camper. Beiden op hun scherm.
Waar is de Rummikub gebleven?
Ik probeer nog een praatje bij de afwas, altijd mijn favoriete moment van kamperen. Tijdens het afwassen anderen ontmoeten, verhalen uitwisselen, rijker terugkomen dan je kwam.
Ongemakkelijk vraag ik: “Kleeft bij jou de rijst ook zo aan je pannetje?” Geen reactie. Mijn buurman heeft een koptelefoon op. Hij luistert een podcast.
Het voelt alsof ik in een decor leef. Tussen mensen die niet echt aanwezig zijn.
Een hoopje mensen bij elkaar, in extreme luxe. Moe, overprikkeld, alleen.
Omgeven door eenvoud, de natuur, die we nauwelijks nog zien.
Op de vijfde dag raken we verdwaald op een berg. Mijn man dacht een leuk paadje te vinden, maar het bleek geen pad. De kinderen genieten. Van het onverwachte, het onbekende, het samen zijn.
Zonder doel. Zonder tijdsplanning of bestemming.
En ik, ik heb het geluk dat mijn iPhone te oud is voor een buitenlands signaal. Geen bereik. Geen verleiding. Alleen hier.
Er is één ding waar ik steeds sterker in geloof: de wereld wordt niet mooier van smartphones, algoritmes en eindeloze prikkels.
We raken elkaar kwijt. Niet digitaal, maar menselijk.
We zijn vergeten dat we elkaar nodig hebben.
We zijn sociale wezens, maar leven als eilandjes.
In luxe. Met wifi.
We hebben het systeem laten winnen. Kapitalisme heeft ons comfort verkocht, maar verbinding afgenomen.
We leven in een samenleving die draait op individuele controle, maar hunkert naar collectieve warmte.
De camping is een spiegel. Overvol, maar afstandelijk.
Te veel spullen. Te weinig contact.
Na een week vertrekken we naar een andere camping. Een plek die we een half jaar eerder al geboekt hadden.
Op 1600 meter hoogte. Geen luxe, geen vermaak. Alleen tenten. Natuurliefhebbers.
En dan… komt de rust.
We zijn buiten.
We leven simpel.
We ademen.
Zoveel mogelijk tijd in de natuur. Uit de ratrace. Minder luxe. Minder moeten.
En dat is bevrijdend.
Je eigen leven bepalen. Onafhankelijk. Vrij. Vol liefde.
Tot we weer thuis zijn. Binnen vier dagen zitten we weer op de bank.
Heimwee. Niet naar de bergen, maar naar dat gevoel.
Van eenvoud. Van samenzijn. Van rust.
Hoe houden we dat vast?
Minder scherm? Minder afspraken? Minder spullen?
De bergen roepen.
We moeten gaan.
Niet weg van hier.
Maar terug.
Naar elkaar.
Jorien Mesu-Minderhoud


Geef een reactie